School

Ons onderwijs wordt voor een groot deel gevormd door de kosmische visie van Maria Montessori. Zij gaat er vanuit dat de mens een onderdeel is van het kosmisch plan en dat alles in het universum met elkaar verbonden is. Onder kosmische educatie wordt verstaan: cultuur- en natuureducatie en het ontdekken van de eigen plek van het kind binnen het universum. 

Er wordt gezocht naar antwoorden op vragen over het heden (Wie of wat ben ik? Waar woon ik?), over het verleden (Waar kom ik vandaan? Hoe leefden mensen vroeger?) en over de toekomst (Waar ga ik naartoe?). 

 

Daarnaast gaat het Montessori-onderwijs uit van de gevoelige periode van kinderen. Montessori bedoelt daarmee dat er tijdens de ontwikkeling van kinderen fases zijn waarbinnen kinderen extra belangstelling hebben. Bijvoorbeeld de gevoelige periode voor het leren tellen of lezen.

 

In de praktijk betekent dit dat we ons onderwijs aansluiten bij de diepe belangstelling van kinderen voor de wereld om zich heen. Aandacht, verwondering en verbeeldingskracht spelen hierbij een belangrijke rol. Concreet betekent dit dat in alle groepen materialen aanwezig zijn die tegemoet komen aan de gevoelige perioden.

 

We geven modern Montessori-onderwijs, aangepast aan deze tijd, verrijkt met de huidige nieuwe inzichten binnen het basisonderwijs. Daarbij hanteren we verschillende vormen van kennisoverdracht: individueel, in kleine groepjes of met de hele groep.

 

Wij willen dat kinderen zich veilig en geborgen voelen op school. Daarnaast gaan wij ervan uit dat ieder kind uniek is. Dit betekent dat wij ons onderwijsaanbod afstemmen op aanleg, afkomst, tempo, cultuur, geaardheid en begaafdheid. Elke leerkracht draagt middels persoonlijke aandacht bij aan de mogelijkheden en talenten van alle kinderen. Een uitdagende en optimale voorbereide omgeving, bijvoorbeeld het klaslokaal of de materialenkast, is hierbij voorwaarde. Leerkrachten scholen zich volgens de Montessoriopleiding om zo kinderen te leren kiezen en plannen, leren omgaan met vrijheden en leren zien van verbanden.

 

Onze leerlingen krijgen daarom een bepaalde mate van vrijheid waarbinnen zij mogen leren naar aanleg, tempo en belangstelling. Hierbij is het nodig dat zij een zelfstandige en gedisciplineerde werkhouding ontwikkelen, waarbij alle schoolse vakken evenwichtig aan bod komen. Bij dit leren “hoe te leren” heeft het kind onze begeleiding nodig.